Onbedoeld en onbezonnen

Geplaatst op vrijdag 14 juli 2017

Achteraf is álles makkelijk te beoordelen. Dat het Rotterdamse deelgemeentebestel eigenlijk nog niet zo slecht was voor de stad, is een conclusie die nu dan wel makkelijk te trekken is, maar tijdens het bestaan van de staddeelbesturen door niemand werd gemaakt.

Toch is het zo, concludeert Sjef van de Poel in zijn lijvige geschiedschrijving van het Rotterdamse decentraal bestuur. Het werk maakt met een dikke 800 pagina’s niet alleen een letterlijke plof op leestafel. De de auteur vertelt een treurig makende kroniek de decentrale democratie, maar brengt hij ook keurig in kaart hoe een systeem zelf de hoofdrol kan gaan spelen, ten koste van haar eigen doel.

 

Toen er in 2014 definitief een streep door de deelgemeenten werd gezet, waren de oorspronkelijke doelstellingen van de Rotterdamse wijkraden allang geen onderwerp van discussie meer. Al in 1947 richtte Rotterdam wijkraden in, als eerste in Nederland. Om de net-geannexeerde dorpen nog enige zelfstandigheid te laten behouden, maar ook ter emancipatie van de wijkbewoners en als stimulans van het sociale leven. Daarnaast konden de raden het echte gemeentebestuur adviseren over hoe het er in de o zo diverse stad aan toe ging. Lokale vertegenwoordiging, dus. ‘Wijkraden moesten de kloof tussen de regering en geregeerden overbruggen,’ noteert Van de Poel.

 

Dat de latere deelgemeenten naast vertegenwoordigende ook bestuurlijke verantwoordelijkheden kregen – en als kleine gemeenten gingen functioneren – was niet alleen onbedoeld, maar ook onbezonnen. De deelraden had nooit écht om de verbestuurlijking gevraagd. En op heel veel feiten waren de stelselwijzgingen óók niet gebaseerd; menig raadsbesluit werd zonder veel onderzoek of argumenten genomen. Die keren dát er werd onderzocht, lag het raadsbesluit al klaar nog voordat een evaluatierapport was opgeleverd.

 

De ironie wil, dat het deelgemeentebestel met dezelfde ondoordachtheid waarmee ze zich ontwikkelde ook aan haar eind is gekomen. Deelgemeenten werden als ‘verambtelijkt’ en ‘lastig’ ervaren, maar onderzocht werd het nooit. Laat staan aangetoond. Het enige échte onderzoek uit die tijd, dat 61 procent van de Rotterdammers het verdwijnen van de deelgemeente zou betreuren, werd gemakshalve als onwelgevallig nieuws terzijde geschoven. Het voeden van de bestuurlijke onderbuik bleek zwaarder te wegen dan het organiseren van democratisch fijnmazig stadsbestuur.

 

Dat het ontstaan van deze decennia-durende drogreden nu zo minutieus is vastgelegd, mag als een prestatie én een leerzame waarschuwing worden beschouwd.